In 2001 werden Jos Louwe en Kees van Overveld, docenten bij het Seminarium voor Orthopedagogiek (SvO) van Hogeschool Utrecht, betrokken bij een project van de Universiteit Utrecht over agressie bij kinderen op scholen die bij het SvO een teamgerichte nascholingscursus hadden gevolgd. Vastgesteld werd dat de inhoud van de teamscholing op de diverse te werven scholen invloed zou kunnen hebben op de pedagogische aanpak van de kinderen en dus mogelijk ook op de ontwikkeling van agressie. Prof.dr. W. Koops vroeg Jos en Kees (in het bijzijn van prof.dr. B. Orobio de Castro) of zij een promotieonderzoek wilden doen naar de invloed van met name het PAD-leerplan op de gedragsontwikkeling van agressieve kinderen. In 2003 konden Jos en Kees daadwerkelijk aan de slag, en op 2 juni jl. verdedigden zij hun proefschrift.
Wat vonden jullie van de vragen van de opponenten?
Kees van Overveld: “Sommige vragen waren pittig, andere vragen hadden we wel verwacht. We hadden gelukkig al wat kunnen oefenen tijdens een proefpromotie, en we hebben samen ook een aantal sessies georganiseerd waarin we elkaar lastige vragen stelden.” “In de loop van de promotie ontwikkelde de ondervraging zich steeds meer tot een gelijkwaardige discussie over de opzet van onze studie en het belang ervan voor de onderwijspraktijk,” vindt Jos Louwe. “Ik kon daar wel van genieten; de pedel kwam wat mij betreft zelfs wat te vroeg!”
Tijdens de plechtigheid werd herhaaldelijk over mogelijkheden voor vervolgonderzoek gesproken. Is hier al iets over bekend?
Kees: “Wat Jos en ik hebben gedaan was een project met een duidelijk begin en eind. Wij weten niet of de hogeschool of het lectoraat Gedragsproblemen in de Onderwijspraktijk plannen heeft om de verdere effectiviteit van PAD te onderzoeken. Ik zou het wel aardig vinden om wat verder te gaan kijken naar PAD en zmok-onderwijs.” “Ik zou het leuk vinden om vervolgonderzoek op dit terrein te doen, vertelt Jos Louwe. “Ik zou graag proberen om wat hardere gegevens te verzamelen over de effectiviteit van verschillende scholingsproducten en begeleidingsinterventies die de diverse afdelingen de afgelopen jaren hebben ontwikkeld en die ze nu al enige tijd toepassen: werken ze nu ook ècht? Onderzoek dat in de praktijk niet eenvoudig is, dat nooit tot werkelijke zekerheid over de effectiviteit en tot garanties kan leiden, maar mijns inziens wel heel belangrijk is. In ieder geval moet je als opleidingsinstituut onderbouwen dat je interventies effectief kúnnen zijn, of dat je in ieder geval moeite doet dit te achterhalen. En je je niet uitsluitend op schone theorie en enthousiasme bij je medewerkers baseert. Een tweede thema waarmee ik mij verder zou willen bezighouden is de mogelijkheden die je op school hebt om de betrokkenheid en de beleving van de leerlingen bij je onderwijs en opvoedend handelen te betrekken. Daar heb ik mij de afgelopen jaren ook al intensief mee bezig gehouden, en dat zou ik graag voortzetten met onderzoek."
Hoe geven jullie de opgedane kennis en vaardigheden terug aan de HU en/of aan het beroepenveld?
“
De HU heeft voor een groot deel de uitgave van onze proefschriften gefinancierd. Een aanzienlijk deel van de collega's die cursussen geeft op het gebied van gedrag en/of PAD heeft het proefschrift per post ontvangen. Men kan dus kennisnemen van de resultaten. Verder zal er nog een aantal artikelen verschijnen over ons onderzoek, bijvoorbeeld in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek, Kinderpsychiatrie en Klinische Kinderpsychologie (TOKK). Ook komt er een overzichtsartikel in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek. Daarnaast zullen we met de PAD-docenten bespreken wat dit proefschrift nu voor betekenis heeft voor de praktijk.” “Ook zullen we proberen in het najaar een interessante conferentie te organiseren,” voegt Jos toe. “Die conferentie richt zich op zowel de onderwijspraktijk als wetenschappelijk onderzoekers, en zal gaan over leerlingen met ernstige gedragsproblemen en de kennisbronnen voor de leraren om hun competenties in het omgaan met deze problemen te vergroten.”
Lisette Blankestijn
Zie ook: