Zelfstandig leren kun je leren 

  1. Auteur: Speciaal Bekwaam 
  2. Bijwerkdatum: 18-6-2009 16:43
  3.  
Hoe werkt GIP-XL in de klas?
 
 

Een model voor adaptief onderwijs is op zich geen revolutionaire vernieuwing. Wat maakt het GIP-XL-model van het Seminarium voor Orthopedagogiek dan bijzonder? We vragen het enkele ervaringsdeskundigen.

 

 

 

  • Ik denk na: als ik iets niet begrijp probeer ik het eerst zelf op te lossen.
  • Ik wacht met mijn vraag tot juf/meester bij me is.
  • Ik werk verder.
  • Ik ben stil en rustig, bij het samenwerken praat ik zachtjes.

 

Deze regels hangen in alle klassen van Openbare Basisschool De Stevenshof in Leiden. Ze vormen de basis van het GIP-XL-model. De afkorting GIP staat voor Groeps- en Individueel gericht Pedagogisch en didactisch handelen van de leerkracht. Het is een onderwijskundig model voor adaptief onderwijs.

 

Zelfstandig

De rode draad in het model is de ontwikkeling van de zelfstandigheid van het kind. “Kinderen leren natuurlijk sowieso zelfstandig te werken, maar GIP gaat een stap verder”, vertelt Lesley Druiventak, projectleider GIP-XL. “Het kind leert ook samen te werken, te plannen en zichzelf te beoordelen.”

GIP is sec geen revolutionaire vernieuwing. Het model zorgt voor afspraken en een duidelijke doorlopende schoollijn. “Het werkt niet als je er in groep 2 wel aandacht aan besteedt, maar dat in groep 3 niet voortzet”, zegt Druiventak.

 

Meteen heel goed

De meeste GIP-lessen vinden plaats bij rekenen, spelling en taal. Basisschool De Stevenshof is drie jaar geleden begonnen met het model. “Wij werkten al met weektaken in groep 8, maar we wisten niet precies hoe dat vorm te geven”, zegt Susanne Fallaux, ib’er en adjunct op de school. “Bovendien wilden we er ook graag in de lagere groepen mee gaan werken.” Afspraken maken over regels vormde het begin. Fallaux: “Het ging meteen heel goed. De kinderen vinden het hartstikke leuk dat ze zelf hun werk mogen pakken, even wat anders mogen doen als ze klaar zijn en om bezig te gaan met hun afsprakenkaart.”

 

Ruimte, ritme en regels

Het model bestaat uit vijf hoofdthema’s, die samen de GIP-Xl-trap vormen. De eerste trede die het team beklimt is ‘organisatie’. Druiventak spreekt van de drie r’en: ruimte, ritme en regels. Ruimte betekent dat het lokaal ingericht moet zijn op zelfstandig werken. Het bureau heeft geen vaste plaats meer, want de leraar loopt vaste rondjes door de klas. De kasten moeten zo staan dat leerlingen zelfstandig materialen kunnen pakken. Een dagritmekaart geeft de leerlingen inzicht in wanneer ze gaan rekenen en wanneer ze gaan tekenen. Dat bespaart de leerkracht vragen daarover. Regels zijn fluisteren, elkaar uitleggen en de leerkracht niet storen. Een rode kaart midden op het bord geeft aan dat het zelfstandig werken bezig is. “Vóór GIP was het voor ons niet duidelijk waar kinderen hun schrift konden laten en wat ze bijvoorbeeld konden gaan doen als ze klaar waren met hun weektaak”, vertelt Fallaux.

 

Zelf plannen

De volgende stap in het model is zelf plannen. Kinderen krijgen inzicht in eigen kunnen door te leren registreren wat ze gedaan hebben, door te plannen en zichzelf te beoordelen. “Aan deze trede kun je zien dat adaptief onderwijs verder gaat dan zelfstandig werken”, vindt Druiventak. Op De Stevenshof leren kinderen plannen met behulp van eerst dagtaken en later weektaken. “Kleuters hebben een planbord. Als ze iets af hebben, mogen ze een smiley inkleuren. Alle kinderen werken echt op hun niveau. Als het niveau lager is, krijgen ze een iets minder grote weektaak. Kinderen die zwakker zijn hebben dan ook hun weektaak af en zijn daar trots op”, aldus een enthousiaste Fallaux. Nog een voordeel volgens Druiventak: “Je brengt het werk heel dicht bij de kinderen. En hoe dichterbij, hoe intrinsieker gemotiveerd ze zijn.”

Druiventak vindt dat alle kinderen geschikt zijn voor zelfstandig werken. “Het is een vaardigheid en die moet je leren, bij voorkeur zo vroeg mogelijk.” Fallaux vult aan dat zij bij de kleuters zijn begonnen. “Vanaf groep 3 zie je ze bij wijze van spreken zelfstandig knutselen. Daar plukken ze er dus al de vruchten van.”

 

Instructie

Stap drie op weg naar het volledige GIP-model is instructie. “Een leerkracht moet zich constant afvragen welke instructiebehoeften zijn leerlingen hebben”, aldus Druiventak. Een belangrijke rol is weggelegd voor de instructietafel, waar een paar kinderen extra uitleg kunnen krijgen. “Bijvoorbeeld als uit een toets blijkt dat je bij enkele kinderen nog aandacht aan klokkijken moet besteden”, vertelt Fallaux. Het model is gekoppeld aan het leerlingvolgsysteem. De meeste scholen hanteren het cito-volgsysteem. Daar komen vijf niveaus uit. “Vijf is moeilijk behapbaar, dus wij hebben de a’tjes met een ontwikkelingsvoorsprong, de b/c’tjes als gemiddelde en d/e’tjes als zorgleerlingen”, aldus Druiventak. “En allemaal zitten ze aan de instructietafel”, vertelt Fallaux. “De zorgleerlingen voor extra uitleg, en de a’tjes voor verdieping en verrijking. Ook de b/c’tjes delegeer je naar de tafel, als je ziet dat ze iets niet aankunnen.” Naarmate de groep verder is in het model, komt er meer ruimte voor individualisering.

 

Sociaal-emotionele ontwikkeling

“Scholen worstelen soms met de vraag hoe de sociaal-emotionele ontwikkeling vorm te geven”, zegt Druiventak. “Daarvoor heb je PAD, Programma Alternatieve Denkstrategieën. Kinderen leren daarmee kijken naar hun eigen gedrag. De lessen gaan over zelfwaardering, zelfcontrole, gevoelens en problemen oplossen. Het doel: je moet de kinderen uitrusten met vaardigheden om goed te kunnen reflecteren op het eigen gedrag.”

Fallaux vindt het belangrijk om ook de sociaal-emotionele ontwikkeling vast te leggen. “Wij hebben PRAVOO, daar kun je met plusjes en minnetjes bijhouden waar je bij een kind nog aan moet werken.”

Samenwerkend leren bevorder je door bijvoorbeeld een rekenopdracht voor leerling-duo’s te geven. Later breid je dat uit van twee naar drietallen en kun je het ook inzetten bij bijvoorbeeld wereldoriëntatie. Fallaux: “Dat is de reden dat wij besloten hebben de kinderen in groepjes te zetten.”

 

Rondjes lopen

In het oude GIP-model zag de trap er anders uit. Het zelf plannen zat er niet in. Zelfstandig werken was een thema, dat bleek zo belangrijk dat het tot ruggengraat is gemaakt. Ook de koppeling aan het leerlingvolgsysteem was er niet.

Een groot voordeel van GIP-XL is volgens Druiventak dat het heel praktisch uitvoerbaar is. “Leerkrachten zien al snel het belang van rondjes lopen. Het levert tijd, ruimte en lucht en daardoor meer effectieve onderwijstijd op”, stelt hij. Leerkrachten stimuleren het probleemoplossend denken van kinderen: hoe heb je dat gedaan, of hoe kan je dat oplossen?

Naarmate je met het team verder de trap op gaat, kun je meer individualiseren door meer naar de instructiebehoefte van elk kind te kijken. “In het begin spreek je de groep als groep aan, maar dat wordt steeds individueler”, zegt Fallaux.

 

Monitoren van de vernieuwingen

Als een school belangstelling toont, komt eerst een kennismakingsgesprek. Druiventak: “Bij sommige scholen doen we het niet. Dan adviseren we ze eerst bijvoorbeeld de communicatie in het team te verbeteren, of de zorgstructuur op te zetten.” Daarna volgt een intakegesprek met de directeur en de intern begeleider, die een belangrijke rol spelen bij het monitoren van de vernieuwingen. “Zij zijn essentieel als je wilt dat GIP kans van slagen heeft”, vindt Druiventak. Drie, vier keer per jaar is er een themabijeenkomst voor het team. Op De Stevenshof gaan de themabijeenkomsten dit jaar over sociaal-emotionele ontwikkeling. Ook vinden er klassenconsultaties plaats: “We gaan de klassen rond, maken video-opnames die we terugkoppelen naar het team.”

“In feite is GIP-XL ook een leerkrachtvolgsysteem”, stelt Druiventak. “Je kan precies aangeven in welke fase hij of zij zit. Is een punt nog niet op orde, dan is dat een werkdoel voor het jaar.” Leerkrachten op de Stevenshof hebben ook een GIP-maatje. Ze kijken bij elkaar in de klas en geven elkaar tips. Zo maak je leerkrachten medeverantwoordelijk voor elkaars functioneren.

 

Resultaat

Of de leerlingresultaten verbeteren is nog niet onderzocht, maar Druiventak en Fallaux zijn ervan overtuigd. GIP is gebaseerd op het teamprestatiemodel van Stevens: kinderen hebben behoefte aan competitie, autonomie en relaties. “Als die drie componenten terug te vinden zijn, kan het niet anders dan dat je adaptief onderwijs hebt. En dan kan het niet anders dan dat dat leidt tot betere resultaten”, stelt Druiventak.

 

 

Dit artikel verscheen eerder in Speciaal Bekwaam, het contactblad voor scholen van het Seminarium voor Orthopedagogiek.

 

Drs. Lesley Druiventak werkt voor het Seminarium voor Orthopedagogiek en is projectleider van het programma GIP-XL.

LOGIN

WIKI

VACATURES

  1. Consumptieve techniek / Amsterdam
  2. Onderwijsassistent / Haren Gn
  3. Engels / Zaandijk
  4. Maatschappijleer / Utrecht
  5. Onderwijsassistent /

NIEUW IN DE WEBLOGS

  1. mvanast /  Test